Vanaf het moment van haar sprookjesachtige optreden in deze Salle Pleyel, heeft Jeanne Demessieux zich na een bliksemcarrière steeds op het niveau van de meest fenomenale virtuozen bevonden.

Jeanne Demessieux werd op 13 februari 1921 geboren in Montpellier en leefde er in een voor muziek gunstig milieu. Haar ouders, muziekliefhebbers, offerden alles op voor haar opleiding. Op het moment dat de opleidingsmogelijkheden in hun Zuid-Franse provincie niet meer toereikend waren om de buitengewone gaven van hun dochter verder te ontwikkelen, verhuisden zij naar Parijs.

Vanaf haar derde jaar legde Jeanne Demessieux een voorliefde aan de dag voor viool, waarvan men haar de basisbeginselen bijbracht; totdat haar 13 jaar oudere zus, zelf uitstekend pianiste en organiste, haar van het instrument van Paganini afbracht en haar aanraadde om een polyfoon instrument te gaan bespelen. Van toen af volgde zij een normale opleiding aan het conservatorium van haar geboorteplaats, waar zij de eerste prijs voor solfège behaalde en op 11-jarige leeftijd de eerste prijs voor piano, waarop zij vervolgens het haar opgedragen stuk voor dit concours, het pianoconcert van Widor, met orkest in het openbaar uitvoerde.

In Parijs werd ze op 12-jarige leeftijd benoemd tot organiste van de Église du Saint-Esprit en deze post bekleedde zij trouw tot en met 1962. Het Conservatoire National opende haar deuren voor de jonge virtuose om haar op te leiden. Ze zou er achtereenvolgens de eerste prijs voor harmonie in 1937, de eerste prijs voor piano in 1938, de eerste prijs voor contrapunt en fuga in 1939, een eerste eervolle vermelding voor compositie in 1940 en tenslotte een eerste prijs voor orgel in 1941 behalen.

Haar leermeesters, van Léonce Granier, die haar eerste pianoleraar was op de muziekschool van Montpellier, en M. Boucher, die er directeur was, tot aan Jean en Noël Gallon, Henri Büsser en Magda Tagliafero aan het Parijse conservatorium hadden een trouwe genegenheid voor haar. Beroemde personen uit de muziekwereld zoals Claude Delvincourt, R. Loucheur, Gallois-Montbrun en voortreffelijke componisten zoals Poulenc, maar ook Messiaen, behoorden tot haar meest fervente bewonderaars.

Nog maar kort had ze het conservatorium verlaten, overladen met de mooiste lauwerkransen, toen Dupré op 17 september 1942 in Meudon spontaan midden in een gesprek deze veelzeggende opmerking maakte: "Muziekles! U krijgt het niet méér van mij dan ik van u; ik krijg net zoveel les van u als u van mij..." Jeanne Demessieux was toen 21 jaar! Zij had haar opleiding toen al geheel voltooid en wist haar academische vorming naar waarde te schatten.

Kort nadat zij de prijs voor orgel behaald had, de bekroning van haar imposante prijzenlijst, verliet ze definitief het conservatorium. Haar leermeester Dupré liet haar nog vier jaar lang buiten de schijnwerpers werken om haar unieke techniek verder te perfectioneren. Ze legde zich toe op de grote improvisatievormen en verzuimde geen gelegenheid om met hem de verschillende produkten van de Franse en buitenlandse orgelbouw te vergelijken: een zeer verrijkende gedachtenwisseling.

Tijdens de trieste jaren van de bezetting werkte Jeanne Demessieux zonder onderbreking, soms wel 18 uur per dag! Zij spande zich in om de meest subtiele details van virtuositeit te perfectioneren, gebruik makend van haar geniale intelligentie. Zij openbaarde zich tenslotte onverwacht aan de muziekwereld met een sensationeel recital in de Salle Pleyel, waar de eerste uitvoering van haar zes Etudes het publiek al dadelijk confronteerde met een kant van dit genie, dat haar later helaas de vijandschap van het Parijse organistenmilieu zou opleveren.

Het recital was het startpunt van meer dan 700 concerten door de hele wereld. Na Parijs verbaasd te hebben doen staan, alsmede Frankrijk en Groot-Brittannië, ging Jeanne Demessieux achtereenvolgens naar Spanje, Portugal, België, Nederland, Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland, Denemarken en Scandinavië. In 1953 vertrok ze per schip naar Amerika om daar een complete Amerikaanse toernee te maken, met inbegrip van de Stille Oceaankust. Deze toernee werd gevolgd door twee andere, in 1955 en in 1958.

De lovende echo's van haar grote successen in Amerika zijn wel bewaard gebleven, maar in zeer bescheiden mate. Er zijn er dan ook maar weinig die na één van haar recitals in de kathedraal van New York deze opvallend lovende kritiek hebben kunnen lezen: Jeanne Demessieux is een onbetwist hoogtepunt in de roemrijke Franse orgeltraditie. Ik heb de grootste organisten van deze eeuw gekend, van Ch.M. Widor, J. Bonnet en L. Vierne tot M. Dupré, en ik kan deze meesters alleen maar zien als de gelijken van deze buitengewone virtuoze muzikante.

Door haar vele reizen over de wereld wekte Jeanne Demessieux het enthousiasme van velen, die zich overal verdrongen om haar te bejubelen. De meest uiteenlopende kritieken - ja, zelfs de meest veeleisende - hebben in de internationale pers uiting gegeven van hun unanieme bewondering voor haar interpretatie van zowel klassieke werken, die zij herschiep door het een grandeur en een brede verscheidenheid in expressie te geven, als van werken uit de Romantische School, die zij bezielde met een hartstochtelijke inspiratie en met een lyrisch elan, waarin de gevoeligheid, de emotie en het meest gedistingeerde gevoel met elkaar verenigd werden.

In dit ideale artistieke klimaat - wetenschappelijk, met veel mogelijkheden en ruimte voor haar eigen inbreng - speelde Jeanne Demessieux vanuit haar hart, onbegrensd, haar genialiteit volgend. Ze liet ons kennismaken met de werken van Franck, Widor en Liszt, waarin zij uitblonk. Ze speelde deze stukken met een nauwgezet respect voor de tekst en door haar vurige persoonlijkheid ondergingen ze een gedaanteverwisseling.

Zij bezat inderdaad de wonderbaarlijke gave om ieder stuk dat ze speelde een ander aanzien te geven; de meest uiteenlopende werken kregen onder haar vingers een subliem aspect. Wie kan ooit de ontroerende grootsheid van haar prachtige interpretaties van de Romantische werken weergeven, die ze bezielde door een hartstochtelijke inspiratie waar een verheven kracht zich fraai vermengde met de meest omstreden fijngevoeligheid tot een perfect evenwicht?

René Dumesnil, die op een zondag Jeanne Demessieux was gaan beluisteren in de Église du Saint-Esprit, stond versteld van haar improvisatietalent: "Ik had een thema voor een fuga meegebracht," zo schrijft hij, "de eerste maten van het koor van Claude Delvincourt, dat zijn "Lucifer" beëindigt, en ik woonde één van die kunstprestaties bij, die men nooit meer vergeet. Gedurende een kwartier werd daar vóór mij een hele symfonie in drie delen geïmproviseerd en bekroond met een indrukwekkende fuga. En dit wonder - hoe moet men anders deze door studie ontwikkelde, buitengewone gave noemen - voltrok zich zo eenvoudig, met een schijnbaar zo groot gemak, dat ik dacht dat ik droomde! Nee, Jeanne Demessieux wist vantevoren niets van de korte frase die ik in mijn hoofd had, deze 12 noten waren genoeg geweest om een heel werk op te bouwen en te componeren. Ik was al heel wat keren bij een orgeluitvoering geweest en heb heel wat organisten horen improviseren, en toch was hier iets wat ik nog nooit ervaren had, een frisheid, een beheerste oorspronkelijkheid, een zo puur vakmanschap, zonder iets kunstmatigs, zo oprecht en zo intens, dat ik er zeer van onder de indruk was."

In 1962 werd zij benoemd tot hoofdorganiste van het fraaie Cavaillé-Coll-orgel van de Madeleine in Parijs, waar ze Edouard Mignan opvolgde.

De bescherming van het instrument ging haar erg aan het hart en ze waakte zorgvuldig over de esthetische waarde ervan. Haar genuanceerd eclectisme werd gevormd door de talrijke ervaringen die zij opdeed met het bespelen van orgels met verschillende karakters over de hele wereld.

Ze volgde de ontwikkelingen in de orgelbouw nauwlettend en verzette zich met takt en wijsheid, maar beslist zonder concessies tegen iedere weinig aantrekkelijke benadering. Zo drukte zij zich in een brief van 25 september 1961 als volgt uit: "In de Revue l'Orgue heb ik geschreven dat ik hoopte en verwachtte dat het orgel van de 20e eeuw* een intelligente synthese zou zijn van de instrumenten uit het verleden, met de gedurfde aanpak van het heden. Als dit niet zo is, zullen de aanhangers van het neo-classicisme de zware verantwoordelijkheid moeten dragen het gehele orgelrepertoire vanaf J.S. Bach tot onze tijd..., de werken van Messiaen, Langlais en anderen totaal verworpen te hebben, terwijl deze juist vragen om een totale* en heldere uitstraling zonder enige beperking". (*onderstreping van Jeanne Demessieux)

Jeanne Demessieux keek altijd kritisch naar de toekomst, zonder daarbij echter de lering vanuit het verleden te vergeten. Haar perfectionistische en vernieuwende geest zocht in alles onophoudelijk het evenwicht van de waarheid. Haar kunst werd verrijkt door een hoge mate van spiritualiteit; voor haar enthousiaste en oplettende toehoorders deed haar wonderlijke diepere bedoeling aan als een weldadige rust, terwijl anderen, die meer bevoorrecht of ontvankelijk waren, deze intentie duidelijk opvingen.

Talrijke buitenlanders die Jeanne Demessieux eerst in hun eigen land gehoord hadden, kwamen tijdens doorreis in Parijs naar de Madeleine, om haar indrukwekkende improvisaties te horen. Deze terecht legendarisch gebleven improvisaties verfraaiden de traditionele liturgie, die altijd zeer goed verzorgd was in deze meest kosmopolitische kerk van Parijs. Jeanne Demessieux bleef achter de klavieren, terwijl bij het altaar de mis van Goede Vrijdag werd gevierd, een eeuwenlange traditie.

Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het grote Cavaillé-Coll-orgel van de St.Ouen in Rouen en van de inauguratie na de restauratiewerkzaamheden op 26 oktober 1941, schreef Dupré een stuk getiteld "Evocation". Hierin trachtte hij, naar men zegt, de drie karaktereigenschappen van zijn vader, Albert Dupré, namelijk onrustigheid, tederheid en trots, op muzikale wijze te symboliseren.

Terwijl hij dit stuk schreef, bracht hij Jeanne Demessieux op de hoogte van dit vastbesloten plan en hij vertrouwde haar het manuscript toe. Een eerste lezing bleek voor haar voldoende om van de technische moeilijkheden kennis te nemen, een tweede om door te dringen tot de geest en het karakter van het werk, en de derde uitvoering deed zij zonder de noten: dat waren de wonderbaarlijke mogelijkheden van Jeanne Demessieux. Enkele weken na 3 september 1943 gaf zij op het schitterende instrument van de St.Ouen een privé-uitvoering voor een tiental bevoorrechten - waaronder ondergetekende - tijdens welke zij het "Evocation" interpreteerde met een niet te evenaren vuur, levendigheid en gemak.

Terwijl de echo's nog ver naklonken in de eeuwenoude gewelven van het immense middenschip zei Dupré, naast haar gezeten tot tranen toe bewogen: "M'n lieve Jeanne, ik ken mijn eigen werk niet terug." En zo was het echt!

We schreven overigens al over Jeanne Demessieux als een virtuose spelend met een fascinerend gemak, een dichteres, een profetes met een grote innerlijke kracht. Of zij nu speelde in Wanamaker Auditorium, in de kathedraal van New York, in de Londense Royal Albert Hall, in de Saint-Sulpice in het bijzijn van een verrukte Dupré, in de cathedraal van Edinburgh of in de Victoria Hall te Genève, in geen van haar grote triomfen heeft zij ooit die natuurlijke eenvoud verloren, die haar zoveel charme geeft. De roem heeft haar een aureool gegeven die haar echter niet beroerde. De internationale pers bewonderde haar zonder reserve, veel meer dan in Frankrijk zelf, en ontdekte in haar een uitzonderlijke persoon die tijdens haar leven al een legende was.

Als componiste liet Jeanne Demessieux ons een aanzienlijk oeuvre na, en behalve diverse kamermuziekwerken, vocale en symfonische muziek schreef zij voor orgel: Six Etudes (gepubliceerd in 1946), Sept Méditations sur le Saint Esprit (1947), Triptyque (1948), Douze Chorals-Préludes (1950), Poème pour Orgue et Orchestre (1952), Te Deum (1959), Prélude et Fugue (1965) en Répons pour les Temps liturgiques. Haar orgelwerken hebben de literatuur over dit instrument expressieve dimensies gegeven die tot dan toe onbekend waren en zij heeft de technische mogelijkheden om haar gedachtengoed van grote esthetische verfijning uit te drukken verbreed.

Door haar meesterlijk onderricht heeft zij het prestige en de glans van de Franse orgelschool ver over de wereld doen uitstralen.

Haar te korte leven heeft een mondiale invloed gehad en haar buitengewone activiteit samen met een voortdurende bescheidenheid hebben het voor haar mogelijk gemaakt de moeilijkste taken op zich te nemen, altijd met een ongestoord geluk en een charmante glimlach.

Haar geestelijke kwaliteiten waren naar de maat van haar genie. Trouw aan hen die zij liefhad, wist zij op fijnzinnige wijze, soms in schuchtere bewoordingen, blijk te geven van haar oprechte genegenheid voor haar vrienden, die haar betreuren. Ze beperkte zich daarbij overigens niet tot een exclusief kringetje. De uitzonderlijke vriendschap die zij ons bewees is daar het troostende getuigenis van.

Door haar hele leven, haar edelmoedigheid en haar deugden belichaamde zij de zaligsprekingen uit het Evangelie: "Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven. Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien."

Pierre Labric